#DDW16 – De Staat van Eindhoven: Datawoestijnen


Door Gastauteur

Het Nieuwe Instituut heeft vorige zomer de opdracht van de gemeente gekregen om een programma samen te stellen dat die smart society een stuk dichterbij moet brengen. Het drie jaar durende traject heeft de naam “De Staat van Eindhoven” gekregen. Albert Jan Kruiter, lid van de klankbordgroep van De Staat van Eindhoven, publiek ondernemer en oprichter van het instituut voor Publieke Waarden heeft het over “datawoestijnen”.


Datawoestijnen op de DDW:

Een ontwerpsessie over verborgen onderwerpen op de digitale kaart

In een publieke ontwerpsessie gaan ambtenaren, ontwerpers, dataspecialisten en burgers samen met de DATAstudio op zoek naar mogelijkheden om onderwerpen waarvan de digitale gegevens in Eindhoven ontbreken – zogenaamde DATAwoestijnen – alsnog zichtbaar te maken. Albert Jan Kruiter (Instituut voor Publieke Waarden) treedt op als moderator, hoogleraar Tsjalling Swierstra leidt de sessie in met een hoorcollege Data voor Dummies.

De DATAstudio is onderdeel van De Staat van Eindhoven, een project van Het Nieuwe Instituut en de gemeente Eindhoven. In de DATAstudio verbinden we beschikbare data en technologische mogelijkheden met de realiteit van de straat en de behoeften van bewoners.

Plaats: Designhuis

27 oktober, 13.30 uur


 

Decentralisatie in het sociale domein…

Eindhoven is een slimme stad die nog veel slimmer wil worden. Dat kan door de technologische ontwikkelingen waar de stad op gebouwd is, ook in de toekomst de bron van ontwikkeling voor de stad te laten zijn. Verschillende experts zijn het er immers over eens dat de stad de drijvende kracht achter de democratie en verzorgingsstaat van de toekomst zal zijn. Benjamin Barber pleitte eerder om die reden al onomwonden om burgemeesters ‘de wereld’ te laten besturen. Er zijn echter ook andere redenen om de stad centraal te stellen. In 2015 kwamen op last van ‘Den Haag’ grote delen van de verzorgingsstaat bij de gemeente te liggen door decentralisaties in het sociale domein. Hierdoor vervult de gemeente een cruciale rol in de ontwikkeling van sociale zekerheid en zorg. Voor een slimme stad betekent dat in de eerste plaats de uitdaging om met technologie als driver ontwikkelingen in het sociale domein aan te jagen.

En die ontwikkelingen zijn er volop. Naast de nieuwe WMO en de Participatiewet, voert de gemeente ook De Nieuwe Jeugdwet uit. De uitdaging is om betere zorg en sociale zekerheid te organiseren en mensen daar zelf een grotere rol in te geven. Veel steden doen dat door die opgave als het ware ‘door te decentraliseren’ naar wijken. Zogenaamde sociale wijkteams staan daar aan de lat om mensen van de juiste zorg of hulp te voorzien en om te kijken wat ze kunnen bijdragen aan de wijk. In andere woorden, het epicentrum van de transformatie van de verzorgingsstaat is niet zozeer Den Haag of een gemeente, maar wijken en buurten waar wijkteams de transformatie concreet vorm geven. Door mensen op maat te helpen. Door samen met inwoners nieuwe initiatieven te ontplooien en oude oplossingen te vernieuwen. Dat gebeurt door het hele land. In Eindhoven staat ‘WIJeindhoven’ daarvoor aan de lat.

… zonder geschikte data

Nu zijn er weinig ontwikkelingen zó niet-data-driven als de decentralisaties in het sociale domein. Gemeenten moesten al zorg inkopen voordat er cijfers bekend waren. Managementrapportages en sturingsinformatie zijn nauwelijks te produceren. Veel van de problemen die wijkteamleden tegen komen (hoeveel tienermoeders met schulden zonder dak boven hun hoofd wonen in deze wijk?) zijn nauwelijks te achterhalen. Dat komt omdat de informatievoorziening in het sociale domein ook altijd top-down georganiseerd is geweest; gemeenten produceerden met name verantwoordingsinformatie richting de Rijksoverheid. De bestaande systemen zijn feitelijk ongeschikt voor de transformatie in het sociale domein. Of, iets minder stellig geformuleerd, ze sluiten niet aan bij de logica van de wijk. Immers, in de wijk hebben we integrale informatie nodig. Niet aparte systemen voor WMO, werk en inkomen, schuldhulpverlening en jeugd. Wijkteams bestaan uit generalisten die integraal werken. Ze zullen dus ook op integrale vraagstukken stuiten. Als ze die niet kunnen kwantificeren, bestaat de kans dat ze ook niet tot alternatieve oplossingen kunnen komen die het casusniveau ontstijgen. En dat is uiteindelijk wel de bedoeling.

Immers, we willen minder investeren in dure individuele trajecten in de tweedelijns zorg en meer in algemene, collectieve en eenvoudig toegankelijk voorzieningen die goedkoper zijn. De informatie (data) op basis waarvan die voorzieningen zouden kunnen worden ingericht, is nog niet volledig voor handen. Ook een instrument om die data snel en eenvoudig te ontsluiten bestaat niet.

Natuurlijk, de overheid kan veel op informatiegebied. Vooral als het om controle en verantwoording gaat, verzamelt en verwerkt de overheid veel informatie. Als het om dienst- en hulpverlening gaat, is dat minder het geval. De gemeente Eindhoven kan daar op wijkniveau mee beginnen. Een smart city begint met slimme wijken. Op die manier kunnen we voortbouwen op de missie van de smart city binnen het sociale domein, in wijken, en verder werken aan de uitdaging die de transformatie van het sociale domein biedt. Er bestaan verschillende mogelijkheden om dat te doen. Hieronder bespreek ik er enkele:

Data voor de burger?

Een van de kerngedachten achter de transformatie in het sociale domein is dat burgers ‘meer zelf gaan doen’. Soms betekent dit dat ze voor naasten moeten zorgen, maar het betekent ook dat ze meer eigenaar van de wijk moeten worden: door gezamenlijk initiatief te nemen, door wijkbedrijven op te zetten, door de overheid uit te dagen. De WMO voorziet hiertoe zelfs in een Right to Challenge. Een recht om als groep burgers de overheid uit te dagen als je denkt dat je betere plannen hebt voor je wijk of buurt. Toch ontstaan initiatieven niet automatisch. Soms lijkt er sprake van een impasse. Overheden kijken verwachtingsvol naar burgers, terwijl burgers op hun beurt naar de overheid blijven kijken. Overheden willen graag dat burgers fundamentele problemen oppakken, maar burgers ontplooien ook initiatieven op gebieden waar de gemeente geen taak heeft.

De vraag is gerechtvaardigd van welke bronnen burgers eigenlijk gebruik kunnen maken op het moment dat ze initiatief willen nemen. Overheden hebben niet altijd door dat ze een gigantisch informatiemonopolie hebben. Neem een man in Eindhoven die initiatieven wil ontplooien voor oudere mensen. Hoe komt hij er dan achter hoeveel ouderen in zijn wijk wonen? En welke mensen mee willen doen? En een echtpaar dat tienermoeders met schulden wil helpen? Hoe weten ze waar ze zitten en hoeveel het er zijn? Bedrijven en overheden vinden het volstrekt logisch om data te gebruiken als ze businessplannen maken of beleid ontwikkelen. Ken- en streefgetallen zijn onmisbaar. Toch is die kennis zelden voor handen voor burgers die initiatieven willen ontplooien. Dat geldt zelfs vaak ook voor wijkteams.

Datawoestijnen bewateren

Dat betekent dat die data niet inspirerend kunnen werken voor mensen. Als mensen niet weten hoe groot een probleem is, zullen ze minder snel geneigd zijn het op te lossen. Oftewel, data kunnen op wijkniveau twee functies vervullen:

– Een inspiratiebron zijn voor burgers om zelf problemen op te lossen

– Een informatiebron zijn om plannen die burgers hebben, te versterken en te onderbouwen

Maar data zijn niet altijd voor handen. Dat kan verschillende redenen hebben. Ten eerste kunnen data er simpelweg niet zijn. Zogenaamde datawoestijnen drukken het probleem uit dat een probleem niet in data uit te drukken is. Neem het voorbeeld van tienermoeders met schulden zonder dak boven hun hoofd. Er zijn geen partijen die exact weten hoeveel moeders onder die omstandigheden in bepaalde wijken leven. We kunnen wellicht het aantal jonge moeders in een bepaald postcodegebied in databases terugvinden, maar voor het aantal daklozen in een wijk is dat al lastiger. Een smart city zou datawoestijnen moeten bewateren.

Schermafbeelding 2016-04-03 om 10.13.28Ook komt het voor dat data wel bestaan, maar niet beschikbaar zijn of makkelijk ontsloten kunnen worden voor burgers. Omdat informatiesystemen ingewikkeld zijn, of omdat de data door instellingen worden afgeschermd. Natuurlijk speelt privacywetgeving daar vaak een rol in, maar niet altijd. Hoeveel geeft een gemeente uit aan groenvoorziening in een wijk? En aan straatverlichting? En aan ouderenzorg? Zulke gegevens zijn zelden met een druk op de knop voor burgers beschikbaar. De kans dat ze iets aan- of oppakken neemt daardoor af. Een smart city zou data integraal op wijkniveau moeten ontsluiten.

Data om plannen te insprireren en te onderbouwen

De veronderstelling is dat burgers zich actiever voor hun wijk zullen inzetten als ze meer data en informatie over hun wijk hebben. Omdat het ze aanzet op een andere manier te denken over hun wijk. Maar ook omdat ze plannen die ze al hebben beter kunnen onderbouwen. Daarnaast veronderstel ik dat het delen van data over het sociale domein kan leiden tot grotere sociale inclusie. Vooral omdat veel groepen onzichtbaar zijn door datawoestijnen en verkokerde informatie. In andere woorden, we zien ze niet vanuit de systeemwereld. Hoeveel kinderen worden bij hun ouders weggehaald omdat die ouders geen dak boven hun hoofd hebben? Hoeveel wanbetalers bij de zorgverzekeraar zijn er, die ook psychische zorg consumeren? Hoeveel eenzame ouderen zijn er in de wijk? Hoeveel mensen zouden graag boodschappen doen voor mensen, die dat niet kunnen? Hoeveel mensen komen regelmatig bij de voedselbank en doen ook vrijwilligerswerk? Hoeveel mensen kunnen taalles geven? Allemaal vragen waarvan de antwoorden kunnen leiden tot plannen die de sociale inclusie in de wijk bevorderen.

Natuurlijk is daar veel meer voor nodig dan het ontsluiten van data. Plannen moeten financieel kloppen en duurzaam zijn. Maar een smart city heeft de kans om in ieder geval aan het ontsluiten van die data bij te dragen. Momenteel bestaat daar een blinde vlek. Daar liggen dus de grootste kansen. Er bestaat een aantal manieren om daarmee aan de slag te gaan:

– We organiseren een “ken uw wijk” sessie waarin we met bewoners vragen stellen over de wijk die we met data proberen te beantwoorden. Als dat niet lukt formuleren we dat als datawoestijn.

– Met bewoners ontwikkelen we plannen voor de wijk die ze zelf willen en kunnen uitvoeren. We proberen die plannen met data te onderbouwen.

– We onderzoeken met bewoners of ze zelf datawoestijnen kunnen invullen.

– We combineren het bovenstaande.

De smart city biedt vele kansen. Kansen op innovatie en creativiteit. De smart city kan echter ook een driver achter de transformatie in het sociale domein worden. Door data voor bewoners in wijken te ontsluiten. En door sociale exclusie zichtbaar te maken, zodat we plannen kunnen ontwikkelen voor sociale inclusie.

In de driehoek bewoners – plannen – data wil ik me graag ophouden tijdens mijn bijdrage aan De Staat van Eindhoven.