Quality of place: het belang van erfgoed voor een stad


Door Lectoraat De Ondernemende Regio
Leestijd ± 4 minuten

Fontys is niet alleen een onderwijsinstelling maar ook een organisatie die nadrukkelijk wil bijdragen aan de kwaliteit en concurrentiekracht van de Brainport regio. Veel van de projecten die hieruit voortvloeien blijven echter verborgen voor een breed publiek. Om die reden verzorgt het lectoraat De Ondernemende Regio van Fontys Hogescholen elke 14 dagen een column op E52 dieper ingaat op de projecten waar ook Eindhoven voordeel bij heeft. Vandaag Bart de Zwart over het koesteren van je industrieel erfgoed.

Begin deze maand vond, zoals elk jaar, de Internationale Week van Fontys Hogeschool Management Economie en Recht plaats. Tijdens deze week brengen zo’n tweehonderd tweedejaarsstudenten een bezoek aan een buitenlandse stad. Het doel van de reis is om een vergelijking te maken tussen de situatie ter plaatse en de Brainportregio. Daarbij wordt speciale aandacht besteed aan regionale economische ontwikkelingen, vestigingsmilieu en ondernemersklimaat.

 

De vraag dringt zich op of Eindhoven dit deel van haar industriële erfgoed niet meer zou moeten koesteren.

Zelf had ik het genoegen om samen met een collega de studiereis naar Liverpool te begeleiden. Een interessante bestemming, mede in het licht van de aanstaande Brexit. De uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de EU zorgt voor de nodige onrust in de Engelse havenstad. Niet in de laatste plaats omdat de noordelijke steden – de verenigd onder de noemer ‘Northern Powerhouse’ – in het recente verleden sterk geprofiteerd hebben van Europese stimuleringsgelden. Op 4 mei vonden gelijktijdig met ons bezoek lokale verkiezingen plaats waarbij zes Engelse stadsgewesten, waaronder Liverpool, voor het eerst een regionale burgemeester kozen. Deze nieuwe superburgemeester, die voorlopig optreedt naast de zittende stadsburgemeester, maakt deel uit van een omvangrijke decentralisatie van bevoegdheden en middelen vanuit Londen. In Liverpool zijn de verwachtingen van deze ‘devolution-deal’ hooggespannen.

Niet in de laatste plaats is Liverpool vanuit de Eindhovense context bezien een interessante stad vanwege het gedeelde industriële verleden. Naast havenstad is Liverpool namelijk ook een industriestad, met bedrijven als Jaguar-Land Rover en Unilever als prominente spelers. Met dat laatste bedrijf heeft de stad bovendien een lange historische band. Deze geschiedenis vindt haar ruimtelijke neerslag in de aanwezigheid van diverse brownfield-gebieden rondom het centrum en in de verschijningsvorm van de wijk Port Sunlight aan de overzijde van de rivier Mersey.

Het pittoreske Port Sunlight (vernoemd naar een zeepmerk) werd begin 20e eeuw gesticht door de fabrikantenfamilie Lever. De tuinstad bood onderdak aan medewerkers van de zeepfabriek en diende als voorbeeld voor diverse andere Europese industriëlen bij het vormgeven van hun arbeidershuisvesting. Ook Anton Philips en zijn schoonvader G.J. de Jongh lieten zich door de Engelsen inspireren voor de bouw van Philipsdorp. Het resultaat is een aantal opvallende gelijkenissen, waarbij met name de dorpse uitstraling van beide wijken in het oog springt. De buurten kenmerken zich door een gebogen stratenpatroon, groene brinken en zadeldaken. De voornaamste afwijking is dat de Levers kozen voor een typisch Engelse cottage-stijl en de Philipsen voor een meer behoudende, Calvinistische architectuur.

 

Wie door een 21e-eeuwse bril naar beide wijken kijkt, ziet overigens nog een aantal verschillen. Waar Port Sunlight grotendeels zijn pastorale karakter heeft behouden, is Philipsdorp door de jaren heen overwoekerd door grofmazig stedelijk weefsel. Op de plaats van het centrale park zijn in de loop der jaren het Philipsstadion en wooncomplex Hartje Eindhoven verrezen. De kleinschalige wijkvoorzieningen zijn grotendeels verdwenen en veel van de groenstructuur heeft plaatsgemaakt voor asfalt en parkeren. Tegen het lommerrijke Port Sunlight steekt het huidige Philipsdorp in alle eerlijkheid nogal schraal en stenig af.

De vraag dringt zich onwillekeurig op of Eindhoven dit deel van haar industriële erfgoed niet meer zou moeten koesteren. Het vergt niet veel voorstellingsvermogen om de potentiële toegevoegde waarde van plekken zoals Philipsdorp voor zowel bewoners als bezoekers te zien. Met de ontwikkeling van de Spoorzone en de verbinding tussen het centrum en Strijp S liggen de kansen voor het oprapen. Zij het dat het ook de nodige stedebouwkundige inspanningen zal vergen om een goede balans te vinden tussen de grootstedelijke ontwikkelingsambities van de stad en het kwetsbare, kleinschalige weefsel van de wijk. Hier ligt een mooie taak voor Eindhoven om te laten zien dat ze in staat is om haar reputatie als kennis- en ontwerpstad waar te maken. Op die manier kan de huisvesting van de ‘expats’ van weleer wellicht ook een inspiratie vormen voor de huidige generatie hightechmultinationals. Om zich, net als de Philipsen en Levers van destijds, te profileren als vooruitstrevende ondernemers met een maatschappelijke visie, en zich bereid te tonen om met investeringen in ‘quality of place’ het woon- en leefklimaat in de regio naar een hoger plan te tillen.

dr. ir. Bart de Zwart is docent/onderzoeker bij het lectoraat De Ondernemende Regio

(foto’s van de auteur)